literatuur

Arjan Pronk: STERRENSTOF

Hij zag zijn lijf, zijn oude vertrouwde jas. 88 jaren was het zijn huis geweest. Dieks was ermee vergroeid maar voelde altijd al dat zijn wezen meer was dan stof alleen. Hij lag er mooi bij, al moest het deksel er wel op. Hij hield er andersom ook niet van, dat ge-apegaap langs zo’n opgebaarde die niet terug kon kijken en geen schim meer was. Zijn hart was uitgebonkt en had in zijn krachtigste periodes overuren gedraaid, meestal uit liefde.

Door Arjan Pronk

Een natuurlijke dood was ie gestorven, zomaar zonder ziektebed tijdens het klaverjassen op zondagochtend. Terwijl hij alle kaarten in handen had gleed hij zo na een hartstilstand van z’n stoel.
Hij had zich nooit te grabbel gegooid maar nu lag de regie in handen van zijn nabestaanden en was vertrouwen verwaterd tot iets dubieus. De herinnering was genoeg.

Gelukkig kwam er geen geestelijke aan te pas, hij zou een flater slaan in zijn kazuifel, loze rituelen zouden vanuit Dieks oogpunt eerder lachwekkend zijn dan gewichtig. Even dacht hij aan de geconditioneerde vanzelfsprekendheid die er blind vanuit ging dat de geestelijke een man zou zijn. Voor hem was iedereen eender, een dergelijke vanzelfsprekendheid omtrent algehele gelijkheid zou iedereen staan, dan hadden de doodskisten geen gaten nodig om de lange tenen de ruimte te geven. Maar het was goed, dommigheid loste wel op in tijd. Net als het leven, wat bedachten we wel niet om het leven en dus de dood te verdragen. Hij zag nu harder in hoe zinloos veel gevechten waren geweest.

Waar dacht hij eigenlijk mee, zijn hersens lagen dood in zijn dode hoofd, hij zag het zonder ogen liggen. Paniek overviel hem niet, de gedachte aan zintuigen was een flard verse nostalgie die in een paar secondes was ontstaan. Een paar secondes… tijd was niet relevant, net als vormgegeven woorden, klanken die dingen betekenis gaven. Hij was vrij en overal, niet gevangen door tijd, ruimte of materie. Was dit waar we ons hele aardse leven bang voor waren?

Dan had hij het toch altijd goed gevoeld, zijn intuïtie liet Dieks leven in plaats van vrezen, zijn onderbuik was z’n roer. Hij plande nauwelijks en liet het komen. Geen krampachtige kattensprongen om het leven te rekken maar het onoverkomelijke omarmen. Hij had zijn leven geleefd en gevoeld in de veronderstelling dat alles samenhing. Zich niet bovengesteld maar ook niet ondergeschikt gemaakt, hij vond zichzelf goed genoeg. Hij accepteerde en balanceerde op vertrouwen.

Zurigheid overkwam hem slechts in de hondsdagen, verder had hij geen amechtige poging gedaan om vast te grijpen aan een energie die geen grip verdroeg. Het was een weg van vallen en opstaan, van leren en ontdekken. Nieuwsgierigheid en verwondering hadden hem zo oud laten worden. Naar liefde had hij nooit gezocht, die was er altijd, vooral in zichzelf.

Na de schouw begon het afleggen. De locale aflegster was een onbeschofte nieuwsgierige aasgier met een dubieuze reputatie. Ze stond geregeld wellustig bij lui op de stoep terwijl ze nog warm waren of nog niet eens dood.
Dieks gunde haar zichzelf. Ze waste hem met een versleten washandje en absorbeerde elk wissewasje. Toen zijn plechtige Roomse nicht koffie zette en de amandel koekjes uit de verpakking ritselde keek de aflegster nog eens stiekem onder de handdoek, het lam Gods zou ze nooit meer vergeten. Dieks’ ziel riep al zijn telekinetische krachten aan en rammelde haar de stuipen op het lijf. Haar rok wapperde, de ramen klepperden en de doppen schoten uit elke opening.
Zijn nicht trof na het tumult een lege slaapkamer en dronk de koffie in haar uppie. Proost, zei ze zachtjes en duwde Dieks’ mond dicht.

Hij had z’n uitvaart simpel geregeld.
In de groene container mocht hij niet, in de tuin onder z’n favoriete boom ook niet. Hondenbrokken, biomassa, het paasvuur; allemaal opties die bij hemzelf opkwamen maar bij een ander niet. Bij zijn vrienden had ie al eens aangeboden om zich beschikbaar te stellen voor een bbq. Om dan iedereen uit te nodigen waar hij nog een appeltje mee te schillen had, zonder te zeggen dat het geen varken was wat daar aan het spit hing. Ze zouden het niet zien, hooguit proeven. Als wild zonder vet zou hij smaken, over stomp bestek zouden ze klagen terwijl het taaie doorleefde vlees door snijtanden van zijn botten werd gescheurd. De kannibalen, ze waren het altijd geweest, varkens op hoeven met een staart te klein voor een krul.

Hij zag zijn familie, vrienden en kunnigheid. Zijn maten had hij bijna allemaal overleefd, op een paar taaie rakkers na. Hij had mazzel gehad en zich de kop niet gek laten maken want ‘no fuzz’ was zijn credo. Jaloezie, trots, schaamte en spijt had ie lang geleden laten varen want hij wist dat het niet hielp.

Zijn zonen en zijn lieve vrouw hadden het moeilijker dan hij dacht. Hij had ze geleerd om over alles te praten, ook over dit. Toch zijn sommige dingen pas voelbaar wanneer het zover is. Hij had ze alles gegeven en meegegeven, zij ook aan hem. Degene die er altijd was, vol gulle liefde. Zijn hart knapte uit elkaar wanneer hij zijn kinderen zag, dat had hij ze gelukkig altijd laten weten, dieper ging het niet. Als een groepje vogels hingen ze om elkaar heen, troost zoekend, naar de warmte verlangen die hun gezin rond maakte. Het zou nooit meer zo zijn. Dieks wist beter maar hij had makkelijk praten, hij was er al.

Vond je het erg toen je er nog niet was? Vroeg Dieks weleens wanneer het bij praat te pas kwam. Nee, dat had niemand erg gevonden, de fase voor de conceptie of bevalling, nooit stond men daar bij stil. Het had niets met vrezen of verlangen te maken, dan zou de dood vast ook zo zijn. Een overgang naar iets of niets. Die gedachte gaf hem en soms anderen rust. Het is voor de achterblijvers jammer, droef en een gemis, mits je een goedzak was. Nee, het was goed, dat vond Dieks altijd al.

Gezichten vol tranen en gesnotter vol empathie naast de doode die hij was geworden en nog wat was. Wees gerust, hij ging niet spoken, niet schemeren of lopen rammelen; het was maar voor even. Hij was in vrede gegaan en overal en nergens geweest, voelde hij nu. In de aula was hij al bijna weg, het hielp hem ontaarden, de aardse potsierlijkheid vol rituelen die we cultuur noemen.

De lege kist schoof dramatisch langzaam de oven in, op een lopende band waar beurtbalkjes niet zouden misstaan.
De man met de zeis was de laatste tijd nogal tekeer gegaan.
‘Waarheen leidt de weg’ van Mieke Telkamp vulde op gepast volume de zware ruimte, dat lied was zonder gesnotter en gekuch nauwelijks herkenbaar. De bidprentjes-uitdeler drukte stiekem op de Shazam knop want hij had toch niks om uit te delen, hij stond als een grauwe butler maar wat te kniezen voor de plechtige vorm. Zijn maten gniffelden ondanks de droefheid en dachten aan de paling die ze zouden vangen. Dieks had zich namelijk volstrekt illegaal in het Overijssels kanaal laten donderen, op de plek waar ze vaak visten en bier dronken. Zijn laatste en misschien wel eerste wens.
Een paar jute zakken dienden als lijkwade en ze hadden hem verzwaard met een halve kruiwagen stoeptegels. ‘Aas’ riepen ze tegen een stel voorbij fietsende unisex bejaarden.

Tijdens de koffie en de borrel was het gemoedelijk, er werd meer gelachen dan gehuild. Zijn overgebleven vrienden waren losjes, casueel en enkelen waren er hard aan toe. Drank, een sigaar en wat fijne muziek in zijn stamkroeg tegenover de kerk die Dieks had overgeslagen. Eentje minder dat wel, het maakte ze wee maar met een lenige geest kwamen ze er wel.

Dieks was uit hun tijd, herinneringen aan hem leken nu heel wat maar zouden ook verdwijnen. Gelukkig leeft liefde altijd, de energie van het eeuwige dat geen jaren kent, ooit zullen we voelen en slechts wezen. Ze klopten de sterrenstof uit hun broek en hieven het glas ter ere van hun vriend, de kastelein pinkte een traan weg.
Vaarwel Dieks.
Aju.